Wereldpolitiek – flarden geleuter

Het was een reuzenspoortrein die ik betrad, de rails waren vers gelegd over de bruine ruggen van verre mensen. In de coupés werd sigaar gerookt en in de dikke walm vormden woorden ware winsten, kringelden toverformules over vooruitgang en voordeel en werd de saaiheid verbroken door een zigeuners die nergens mocht wonen maar heel mooi viool kon spelen. Hij deed dit samen met zijn accordeonbroer, zijn zuster ondersteunend die met geloken ogen haar schoentjes klakte en met een wilde rok haar dijen toonde. ‘Ja, ik lieg altijd’ bevestigde desgevraagd een muis die ook uit een degelijke familie stamde, van een oud geslacht als het ware, ‘dat komt omdat ik de waarheid in pacht heb.’
‘Gut.’ zei het meisje, dat juist tot de familie was toegetreden via een huwelijk met een mislukte zoon, waaraan het hoofd ontbrak, ‘vandaar dat ik de waarheid nergens kon vinden, ú hebt ‘m.’.
Een nieuwbouwwijk onderbrak de weilanden en daarna zichzelf middels een parkje waar het vrij vrijen was. ‘Ja, ze worden maar verwend!’ becommentarieerde een aandeelhouder met vijf sterren.
‘Alles is tegenwoordig geoorloofd, als ze zich maar aan de regels houden.’ zei de bordeelhouder.
‘Dat zou ik zeggen! Een paradijs is het, een socialistische hemel, zeg ik altijd.’
De aandeelhouder ging in de tegenaanval: ‘Socialistische hemel!’ schimpte hij, ‘Me reet en me ballen en me en me, me, me,...’ - van de opwinding dus.
De buitenwijk stimuleerde het verkeer naar de stad en de rivier hevelde water van hoog naar laag, ogenschijnlijk nutteloze activiteiten waar men toch moeilijk zonder kan. Basisvoorzieningen, randvoorwaarden, de resultaten van een helder voorwaardenscheppend flankerend beleid. Alles hangt met alles samen, daarom is het zo verdomd ingewikkeld.
Gelukkig maakte de stad zelf een robuust einde aan de reis (mochten we nog van geluk spreken dat de remmen werkten!). De reisgenoten verstrooiden zich over vervolgmiddelen van vervoer en zouden zich pas des avonds weer treffen.
‘Krek’ zei er een op iets van de ander, waarop die laatste een grimas trok en beiden hun weg vervolgden, de kraag omhoog tegen inwaai, met een hand de deukhoed tegen lachen beschermend. Moesten er immers niet eens maatregelen genomen worden? Het werd tijd! Het beleid vroeg om bijstelling, de resultaten om evaluatie, de bijverdienste om verhoging, het landsbestuur om stuurbekrachtiging, de vrouw had ook zo haar wensen en dan die kinderen!
Ik had zo een volle middag niks te doen en dat deed ik dan ook.

Niets gaat er boven werken tijdens een diner.
Een volle mond is altijd een goed excuus om niets te zeggen en het maakt leuk veel lawaai als je op tafel slaat ter ondersteuning van een volzin. En er valt veel te lachen - een vork die op de grond valt, gemorste wijn. Deze avond staat geheel in het thema van de kaviaarimport, er zijn transportproblemen en de kwaliteit verslechtert. Het nijpende dilemma is dat oplossing van het ene probleem het andere versterkt, de steur is immers een vreemde vis, die pas delicate geslachtsvoorbereidingen treft in de rust die door de scheepvaart wordt verstoord.
De staatssecretaris, voor de gelegenheid gekleed in het decolleté van een oranje jurk, schuift haar bakje eitjes naar haar buurman: ‘Voor mij is het niet zo’n probleem, ik ben geheelonthouder, ik prefereer zaad.’
‘Wonderlijk’ concludeert de voorzitter, ‘maar wat is uw voorstel?’
Ze bloost, morst ‘Daar moet ik mijn ambtenaren nog op laten studeren, maar wanneer u snelle resultaten verwacht zou ik een commissie in het leven kunnen roepen.’
‘Ik begrijp uw bezorgdheid, maar een commissie, is dat niet een wat erg zware aanpak? Ik kan me dat voorstellen wanneer tegelijk andere, verwante, problemen worden meegenomen, zoals de nog steeds onopgehelderde vraag welke drank het beste bij kaviaar te nuttigen is. Of wilt u dat we dat maar aan de vrije markt overlaten? Ik zou dat wel eens onderzocht willen zien.’
‘Kremineetje, laat iedereen toch zelf beslissen, wat dat drankje betreft, bedoel ik.’
‘Waar blijft anders onze hoog geprezen keuzevrijheid?’ – een vakbondsman.
‘Waarde, ik wil met die vraag niemand iets voorschrijven, maar het is toch goed te weten welke drank hoort bij kaviaar. We hebben die vraag al zo lang voor ons uitgeschoven; het publiek verwacht hier eindelijk eens duidelijkheid en ik kan ze dat niet kwalijk nemen.’ Het was de minister van informatie en wetenschap die zo sprak.
De voorzitter had de discussie kreunend en steunend aangehoord, in zijn soep roerend die niet zo heet gegeten kon worden als zij was opgediend, een soepstengel tussen de vingers om van het roken af te komen. ‘Dames en heren, mag ik u verzoeken!’ zei hij nu luid, ‘Er wordt hier iets geheel over het hoofd gezien! We wonen niet op een onbewoond eiland, we hebben te maken en rekening te houden met de Europese regelgeving. Ik weet niet zo snel wat er hieromtrent is vastgelegd, maar dat zou uitgezocht kunnen worden. Want stel dat we hier opnieuw uit de pas gaan lopen!? Ik zie de stroom verslaafden al aan de grenzen dringen, plus natuurlijk dat de verhouding met andere lid-staten ernstig onder druk zouden komen te staan. Ik hoop dat u deze kant van de zaak ernstig in uw overwegingen wilt meenemen. Mevrouw de staats-secretaris, ik acht het idee van een commissie een goede gedachte, omdat we dan weten wat de uitkomst zal zijn. Aan ons om die uitkomst vast te stellen. Wie kan ik het woord geven?’
‘Voorzitter, ik blijf bij mijn standpunt, dat ik de kaviaar nog steeds van voortreffelijke kwaliteit vind. Ik mag dat ook vinden want het is mijn vakgebied. Blijft de vraag van het transport! Wat wij missen is een fatsoenlijke oost-west verbinding per spoor, ja ik weet het, het is een stokpaardje van me, maar het is en blijft niet vertrouwenwekkend naar het buitenland toe wanneer wij alles maar over die domme rivieren willen blijven vervoeren.’
‘Kaviaar wordt per vliegtuig vervoerd.’, onderbrak een kreeftachtige man.
‘Dat bedoel ik, een fatsoenlijke oost-west verbinding, daar gaat het om! Dat is ook voor de ontwikkeling van het Oosten van belang, immers goede logistieke mogelijkheden vormen de basis - en subsidies natuurlijk, over kaviaar-subsidie heb ik trouwens nog niemand gehoord. We zouden het schoonhouden van de Kaspische Zee kunnen ondersteunen, met kapitaal en kennis. Nederland waterland. Als het buitenland betaalt kunnen we toch expertise leveren.’
‘Onzin, er is maar één oplossing: het genetisch manipuleren van de steur, zodat zij zich ook met kabaal aan haar kop en in vervuild water wil voortplanten.’ De minister van milieu en omgangsvormen sprak hier, bezig echte kennis te promoten.
De vergadering eindigde in veelkleurige Italiaanse ijsschotels.
‘Zo corrupt als de neten, maar van ijsmaken weten ze alles.’
Iedereen had dit kunnen zeggen, want het was de algemene opvatting. Amen. Samen. Smakken. ‘Wel verdomd koud, dat ijs!’
Er volgden sondaties aan de bar, want wie was nu voor wat? of ertegen?
De bordeelhouder was witheet geworden: ‘En wie ondersteunt mij?’ schreeuwde hij, ‘nu ik weer een bordeel heb moeten ruimen wegens gekken-hoerenziekte. Ik houd me keurig aan uitvoerverboden, maar waar blijft de greep op de invoer? Kaviaar, ja daar worden eisen aan gesteld, maar aan vrouwen!’
‘U overdrijft.’ - het was de aandeelhouder die zo sprak - ‘u moet uw zaken zelf beter regelen. Het is ons ook gelukt de handel geheel te liberaliseren en dat heeft het voorkomen van ziektes ernstig verminderd. Er is haast geen sprake meer van beurspijn, zelfs speculatiekramp is uitgebannen - roulatie, wisselen van je pakket, daar gaat het om, dat zou u met die hoeren ook moeten doen.’
‘We zouden de handen ineen moeten slaan.’
‘Natuurlijk, wij tegen zij, het liefst met subsidie van hen.’
‘Ja, want op geld staat niet waar het vandaan komt - echte handel, of het nu om vrouwen of kaviaar gaat of om geld, het mag niet duidelijk zijn waar het vandaan komt.’ Er waren pareltjes zweet tussen zijn borstharen verschenen, die besloten gemeen te gaan glimmen.
De aandeelhouder kreeg er rillingen van en floste, hij wist niet precies wat.
‘Ik houd helemaal niet van hoeren.’, zei hij om te pesten.
‘Van hoeren moet je ook niet houden, die moet je neuken, daar zijn ze voor. Alles heeft zo zijn functie.’
‘Dat is het leuke’ opperde de ander ‘geld heeft iedere functie, dat is pas echte handel. je handelt als het ware nergens in - een vak apart, dat wel.’

Ik vond dit gesprek wel erg specialistisch worden en wendde mijn aandacht op een paar krukken verderop. Gelukkig ben ik heel goed in het niet opvallen - ik hoor niet voor niets tot de orde der kameleons die iedere vorm en kleur kunnen aannemen.
Daar aangetroffen de oranje staatssecretaris, een traan wegpinkend, ‘Wat een geld dat niet allemaal kost! En het kan mij niets schelen, kaviaar niet, wijn niet, gezeur van actiegroepen is het.’
‘Gezeur, mevrouw, dát is politiek, u had huisvrouw moeten worden - of was u daar ongeschikt voor, ik hoor van strenge toelatingseisen tegenwoordig?’ ‘Ik wàs huisvrouw’ zei ze bits ‘maar ik heb me mee laten slepen door de feministische golf.’
‘Welke?’
‘De laatste denk ik, voor zover ik weet zijn er geen meer geweest.’
‘Het is uw departement ook niet, u doet toch vis en melk? Een belachelijke combinatie mijns inziens.’
‘U bent zeker van de pers, dat u zo zeikt!’
‘In de roos, mevrouw, ik kon ook niks anders en het is ook maar een vak.’ ‘Een vak! U had hufter moeten worden, of betaalt dat te weinig?