sollicitatie aan huis

Teruggetrokken in de koelte van mijn studeervertrek, de benen verwikkeld in tomeloos gestrek, de handen gevouwen achter mijn nek, het doelgemiddelde in mijn leven overziende, ja, zoekend naar de leemten in dit niets, vol zwarte gaten, antimaterie en nulstof. Ach, de herinnering aan een rotsvaste identiteit, teloorgegaan aan het eind van de verhalen, verkruimeld als oude koek, soms, soms kan ik er om glimlachen en drink er een glas op.
Wie zou ik eens willen zijn op deze achternamiddag? mezelf? Ach, laat maar, ik zou de sloot op koeien moeten dreggen. Mislukkingen in poëzie moeten transformeren tot successen en verdiensten, vriendschappen moeten op-poetsen die nog nimmer glommen. Ik zou mezelf wijs moeten maken wat ik vroeger geloofde, diepzinnigheid moeten putten uit de eenvoud zelve; ik zou moeten wensen, wanen en hopen en mij geschiedenissen ombinden om aan mijn gewicht te komen, mij omgeven met mensen die ik vriendelijk glimlachend mocht haten, mij omzomen met vriendinnen voor één nacht...
Ja, ik zou twijfelachtiger en twijfelachtiger worden, zodat ik zelfs de eenvoud van mijn huid niet zou herkennen en een knipoog weer verdachte bijbetekenissen zou krijgen. Nee, laat ik niet mezelf zijn, laat me iets anders worden, bijvoorbeeld een huis om in te wonen, met een kruidentuin, enkele kippen en een poes of een vesting met een vlag erop, waar eens per dag de ridder wordt uitgelaten. Of beter, laat me zwerven met wat op aarde zwerft.

Uiteindelijk besloot ik tot dit laatste, niet omdat het het laatste was, maar het enig mogelijke. Mijzelf afgeschaft hebbende, moest ik daar de consequenties uit trekken; ik zou het vuilnis van dit leven storten, vrijelijk storten waar er plaats voor was.
Het bedrog dat als bindsels om mijn leden zat afgegord, ontstond er plek voor nutteloze, zelfgekozen en bewuste bedriegerijen.
Ik opende het raam om mij met nieuwe lucht te omgeven, maar het stonk naar de lucht van gisteren, tenslotte was de wereld de wereld gebleven, vrij van voornemens.
Het gaan van de bel leek mij slecht te passen bij mijn gemoedstoestand. Met een stofdoek ging ik op pad om het ding voorgoed onder te stoppen, te smoren in zijn mechaniek.
Maar daar kwam zij reeds brutaalweg aangekropen door het geopende raam, de verstoorster van eenvoud en geluk. Ik herkende haar direct, ze zweette en pufte van het klam en misschien ook van het besluit onordelijk binnen te treden. Ze hipte op de rand van mijn bureau, de knieën over elkaar geslagen, de zoom van haar rokje aantrekkend.
‘U krijgt geen thee, water, limonade of bier’, zei ik.
‘Daar kwam ik ook niet voor.’
‘Dan had ik dat goed geraden en kunt u wel weer vertrekken.’
‘Niet zo snel, meneer Streuvels, of hoe u ook heet...’
‘Leonardus Johanna Frederica Petronella van Stoffelen, u kunt zien hoe graag mijn ouders dochters hadden willen hebben - van Stoffelen, onthoud u dat nu eens!’
‘Bij ons staat u onder een nummer bekend.’
‘Dat is geen excuus voor onbeleefdheden; ik zal er trouwens melding van maken dat u tegenwoordig al via een privé-raam naar binnen kruipt of sluipt.’
Abrupt reageerde zij ‘Heeft u deze week gesolliciteerd?’
‘Als u het precies wilt weten, ik solliciteerde naar uw baan, maar u weigerde plaats te maken, ik had ook wel een tijdje ongenood door vreemde ramen willen glippen; het zinnetje ‘hebt u deze week wel gesolliciteerd’ zou ik vast uit mijn hoofd kunnen leren, leek me zo.’
‘U heeft dus niet gesolliciteerd?’
‘Waar zou ik de tijd vandaan moeten halen, wanneer je niets verdient moet je alles zelf doen èn bijkomend nadeel: er valt niets te stelen bij een baas, zelfs mijn bloknootjes moet ik zelf betalen.’
‘Hoe beviel het u als parkeerwacht?’
‘Oh, dat,... ik heb in het halfuurtje dat ik het volhield nog vrij veel auto’s kunnen beschadigen, dat viel me niet tegen.’
‘Heeft ú die auto’s beschadigd? Er waren er ook een paar gestolen, heeft u geen verantwoordelijkheidsgevoel?’
‘Natuurlijk wel, houd mij gerust verantwoordelijk voor de beurssprong van de laatste maanden, voor de daling van de rente en de stabiliteit van de munt, maar daar hoor ik u niet over!’
Ze keek geïnteresseerd naar buiten en had een hand tussen de klamme dijen gelegd, een opmerkelijk toonbeeld van een sponsdrager, die moet voorkomen dat geld naar beneden lekt.
‘We wilden u een ander voorstel doen, hoewel ik daar nu wat beducht voor ben, nou ja, waarom ook niet - u kunt als voorlezer bij een basisschool terecht, met behoud van uitkering.’
‘Ik begrijp het, de onderwijzers hebben het te druk met de strikt disciplinerende vakken.’
‘U bent cynisch, ik heb nu al spijt van mijn voorstel.’
‘Daar ben ik blij om, want ik heb een verschrikkelijke stem, wat staat er meer op uw lijstje dwangarbeid?’
‘Eens zien, eh, boekenlegger in de bibliotheek, lijkt u dat niet wat? U bént tenslotte een gestudeerd mens.’
‘Het zou mijn gevoel voor eigenwaarde natuurlijk heel goed doen.’ gaf ik wat aarzelend toe, al van plan haar af te stoffen.
Ik ging naar de hal, zocht een verse stofdoek en teruggekomen begon ik mijn bureau te kuisen, stof brengend waar het nog niet was.
‘Kunt u daar niet mee wachten!’
‘Jawel, maar ik wilde u even tonen hoe handig ik in de huishouding ben, wipt u even de bil, heel goed, nu graag de andere, bedankt, misschien komt u zo op het idee mij mantelzorger te maken van iets of iemand, even de benen ietsje uit elkaar, juist, weet u dat u voor een ambtenaar wel aardige benen heeft?’
‘Meneer Stoffels, wilt u hiermee ophouden!’ - ze bloosde tot aan de aanzet van haar borsten.
‘Dus ook geen mantelzorger...’ verzuchtte ik mismoedig en strekte mijn benen weer behaaglijk onder het bureau.
‘We zullen uw uitkering stop moeten zetten wanneer u onze aanbiedingen niet accepteert.’
‘Ik heb niets geweigerd.’ protesteerde ik
‘’Voorlezer leek u niks, begreep ik.’
‘Ik zou Foucault voor kunnen lezen, of Kant of de beursberichten - van Annie M.G. Schmidt en de Bontekoe begrijp ik niks en dan kun je dat ook niet goed voorlezen, niet overtuigend.’
‘Ja, nee, daar heeft u wel gelijk in. Eh, u zou misschien watteerder kunnen worden, met behoud van uitkering natuurlijk, er moeten tegenwoordig zoveel mensen in de watten worden gelegd en er is een nijpend gebrek aan werkzoekenden die onderbetaald willen worden.’
Ze keek me hoopvol aan en ik zei ‘Nou, vooruit dan, wanneer kan ik beginnen?’
‘Maandag wel, denk ik, ik moet dat even navragen, ik laat het u weten.’
Opgelucht dat dit gesprek zo voorspoedig was afgesloten, hipte ze van mijn bureau en vertrok zoals ze gekomen was, door het raam, nagezeten door mijn imaginaire hand, een onzachte landing belovend.
Wat ik al van plan was, besloot ik nu terstond te doen: mijn rugzak pakken en het mij nog resterende zwarte geld wit wassen.