Doordeweek

Ik voelde mij ongelukkig en opgelaten, starend in het in halfduister gehulde halfronde zaaltje - publiek vermoedend. Nu reeds had ik spijt me te hebben laten overhalen door collega’s van de letterzetterij om aan dit oerhollands vermaak deel te nemen - erger nog, er deel van te zijn.
‘Het zou zo enig zijn.’, meenden zij.

Naast mij zaten twee mannen van ongeveer mijn leeftijd, door de weekse figuren, zoals ikzelf. Alleen de eerste twee rijen publiek waren in licht gedompeld, kleurig, blakend volk waarop het land kon bouwen, waarover de koningin koningin kon zijn zonder zich te hoeven schamen. Óók in het licht, zoals wij, was een panel, waarvan een rondborstige blondine de hoofdmoot vormde. De voorzitter van het panel moest enige bekendheid hebben. Zijn binnentreden maakte een schamel applausje los. Gespannen en kuchend werd uitgezien naar zijn eerste woorden.

‘Meneer één, wilt u uw naam noemen?’, vroeg hij vriendelijk glimlachend, waarop mijn rechter collega op stond en zei ‘Mijn naam is Herman Doordeweek.’
Het was een knikje dat mij vervolgens aanmoedigde. Ik stond op en maakte een overbodig buiginkje: ‘Mijn naam is Herman Doordeweek.’
De man aan mijn linkerzijde, waarschijnlijk gekant tegen plichtplegingen, bleef zitten. ‘Mijn naam is Herman Doordeweek.’, sprak hij met een rasperig mechanische stem.

‘Dan geef ik nu het woord aan het panel.’, verkondigde de voorzitter.
Geheel volgens mijn verwachting was de rondborstige er het eerste bij om een vraag te stellen. ‘Meneer Doordeweek, bent u wel eens door een olifant verorberd?’
Of deze vrouw naïef was of leuk of kwetsend wilde zijn, bleef mij een raadsel.
‘U roept oud zeer op.’, hoorde ik links van mij zeggen, maar uit voorbehoeding van onregelmatigheden was zijn microfoon nog niet ingeschakeld.
Nummer één: ‘Zeker ben ik door een olifant verorberd!’
Ik, geërgerd: ‘Ook ik ben door een olifant verorberd geweest!’
Nummer drié: ‘Ik ook!’
‘Wat ook?’, vroeg de voorzitter als een schoolmeester.
‘Ik ben ook door een olifant verorberd.’
‘Meneer twéé, kunt u iets over die ervaring vertellen?’
Het was een besnord mager panellid die een nonchalante indruk wilde maken, die deze vraag stelde.
Mijn maag bevroor in mijn knieën. ‘God beruste in het onmogelijke!’, zei ik om mijzelf enige ruimte en vooral tijd te geven.
Het publiek inturend vervolgde ik ‘Mijn ouders hadden mij daar niet voor gewaarschuwd, ik was nog jong en het gebeurde wel vaker in die dagen.’
'Wilt u een beetje ter zake antwoorden.’ moedigde de voorzitter aan.
‘Klein van stuk als ik ben was het een kwestie van slurven, slurpen en slikken voor dat grote dier en weg was ik. Voor ik goed en wel besefte wat er gebeurde was ik door maagwanden omgeven, zat ik klem en alles deed me zeer, eh, zo hangend, liggend, wat het ook was, opgevouwen, probeerde ik me te oriënteren, stelde ik me zoldering, vloer en muren voor, daarbij slechts geholpen door de zwaartekracht.’
De voorzitter: ‘Kunt u een beetje kort zijn!’
Zijn ‘beetje’ begon me te irriteren. Ik vervolgde: ‘Ik was bang voor het nu, de toekomst, voor m’n leven kortom, zoiets was me nog nooit overkomen, eh, natuurlijk was ik wel vaker verorberd, maar dít had geen vergelijk.’ - ik keek de voorzitter aan die al weer aanstalte maakte me te onderbreken - ‘In paniek schreeuwde ik, misschien niet eens om hulp, maar de bouw van een olifant is als van een opnamestudio, alleen nog beter, want uit natuurlijke materialen gefabriceerd, eh, ik stompte tegen de wanden, maar wat moest ik beginnen tegen iets dat alles van dikke natte matrassen had?’
‘Kunt u afronden? De anderen moeten ook een beurt.’
Ik begon juist in mijn element te raken en besloot daarin te blijven. ‘De stank’ , vervolgde ik, ‘De stank was oorverdovend en het maagzuur rammelde aan mijn huid, maar het was toch vooral de angst, die vreselijke angst die me nog bijstaat, eh, ik deed het daadwerkelijk in mijn broek, maar ik had honger tegelijk en niets van het mij omringende leek me eetbaar.’
‘U moet nu echt afronden, anders draai ik uw microfoon uit!’
‘Gaan we dreigen?’ vroeg ik uitdagend en ging voort. ‘Ik kreeg een sloot water over mijn kop en even later raakte ik door een zwaar voorwerp, een kokosnoot bleek het, bijna buiten westen.’
Het publiek roezemoesde, een sociale bezigheid ontspruitend uit ongewoonheid met een monoloog waar slechts een vraag-en-antwoord-spel werd verwacht.
‘Alles was glibberig,’ zei ik ‘alsof ik in een pot met snot was gedompeld.’ (gelach uit de zaal) ‘En donkerder dan de nacht, ik hoorde slechts de bonking van het grote hart en het ruisen en sijpelen van lucht en vloeistoffen. Dizzy van de kokosnoot sloot ik mijn ogen, ook om het invreten van zuur daar te voorkomen.’
‘Het is nu genoeg, meneer Doordeweek! U vult onze tijd met onzin, met het interne van een olifant, dat kan echt niemand iets schelen. Ik onderbreek u nu!’
‘U onderbreekt helemaal niets!’, repliceerde ik vastbesloten. ‘Ik doe kond van een belangrijk, zij het veelal ontkend of verwaarloosd stuk vaderlandse geschiedenis en ik zie niet dat u mij dat gaat verbieden!’ Ik hield mij nog in, maar kookte inwendig.
De fijn geparfumeerde glimlach van de voorzitter had plaatsgemaakt voor een asgrauw masker, maar hij hield zijn mond, voorlopig.
‘De reis door het dier, realiseerde ik me met afschuw, was pas begonnen, ik had nog een heel darmstelsel te verduren, met méér stank, met peristaltiek, eindeloze bochten en wat al niet aan onvoorziene bedreigingen.’
De zaal was muisstil geworden. Sommigen hadden hun hoofd in de handen en de ellebogen op de knieën geplaatst om beter te kunnen luisteren.
‘Op een goed moment moet ik in coma zijn geraakt, waarschijnlijk door zuurstofgebrek, want wat ik me pas weer herinnerde, gebroken, half blind en gevoelloos, was een vaag schijnsel dat niet anders dan door ècht licht veroorzaakt kon zijn.’ - ik pauzeerde even - ‘U begrijpt dat ik inwendig jubelde, uitwendig werkte ik zo goed en zo kwaad als het ging mee met de darmcontracties en dan, eigenlijk nog onverwacht snel kwam ik, staartlangs, met een plof op de stoffige aarde terecht. Ik voelde mij stront en was dat in zeker opzicht ook.’
Iemand grinnikte, iemand zei ‘Oh’ en ik ging verder. ‘Het dier zelf schok van de omvang van het uitgeworpene, sloeg met kop en oren, trompetterde triompfantelijk, trapte wild met de poten.’
Zonder in te grijpen verzuchtte de voorzitter ‘Dit wordt nu echt te erg!’
‘Ik zag bijtijds het gevaar en liet me vliegensvlug van een holletje afrollen, belandend in of tegen een braambosje. Er sloeg een waas voor mijn ogen, ik was niet in staat, noch in de stemming mijn verwondingen te tellen. Alles deed me zeer.’
‘Bent u nu eindelijk klaar?’, vroeg de geergerde.
‘Nog een klein momentje, ik kom tot een afsluiting.’, zei ik beleefd. Ook de blondine had nu een waas voor haar ogen alsof ze gaarne verschalkt zou worden.
Ik vervolgde ‘Velen, velen overleefden het inwèndige van het dier al niet, vele anderen waren in bewusteloze toestand niet in staat een dodelijke trap te verhinderen en ik hoef u niet te zeggen dat weer anderen de domme pech hadden door een andere diersoort genuttigd te worden, maar waar het mij om gaat ....’
Er onderbraken mij verontwaardigde ‘Oh’s’ en ‘Ah’s’, reden waarom ik even stopte, maar misschien deed ik dat ook wel om de spanning op te voeren.
‘.... waar het mij om gaat, wat me het meest is bijgebleven, is dat kleine moment, dat ik loskwam van het dier, dat ik me bevrijd voelde, eh, een moment van geluk, van opperste verlichting.’ - ik stokte - ‘Dát moment, de roes ervan, te weten dat het over is, dat het weer dag is en dat het vaker weer dag zal worden, dat, dat de wereld weer voor je open ligt.’
Er werd opgelucht adem gehaald, het leek wel door het hele zaaltje tegelijk.
‘En dan daarna, die stamp van dier’s hoef, die ík net kon vermijden, maar die velen het leven koste, die mij niet lijfelijk raakte, maar slechts een trap op mijn ziel gaf.’
Weer stopte ik, nu omdat ik bijna zelf door emoties overmand werd. De voorzitter had onderuit gezakt zijn koning neergelegd.
‘En weet u? Niet alleen de gebeurtenissen liggen dicht bijeen, ook de emoties, vandaar dat bevrijdingsdag en dodenherdenking aaneen zijn gekoppeld, ze zijn bijna hetzelfde, met een miniem verschil.’
Van alle kanten en in verschillende toonaarden werd verontwaardigd, ja zelfs agressief gereageerd. Ik besefte dat ik moest afsluiten.
‘Alleen heb ik nooit begrepen waarom niet hemelvaartsdag op 6 mei valt. Dat leek me zo logisch, als gelovig mens. Voorzitter dat was het!’
‘Godzijdank.’, kon hij niet nalaten te zeggen en schraapte zijn keel: ‘Meneer Doordeweek nummer één, wat waren uw ervaringen?’
Ter rechterzijde hoorde ik, ‘Dat verhaal klopt wel in grote lijn, alleen had ik de indruk dat het in de maag van het dier wat ruimer was. Desondanks ben ik er aanzienlijk slechter vanaf gekomen - in alle practische betekenissen, ook de klinische, ben ik namelijk dood.’
Vol afschuw joelde het publiek.
'En u meneer drié?’ vroeg de voorzitter onverstoord.
De schraperige stem zei ‘Ook ik was keurig in het zand beland, maar daarna plette een achterpoot mijn rug, waarmee er alsnog bijna een dodelijk einde aan deze kortste reis van mijn leven kwam. Ik ben sindsdien vanaf mijn middel verlamd en kan ook mijn armen niet gebruiken.’
Afschuw, afschuw, afschuw gonsde en galmde. Nu pas zag ik dat mijn linkerbuur in een rolstoel zat, met een band om zijn borst.
‘We zijn door onze tijd heen, van een tweede of derde ronde komt vandaag niets, er is slechts tijd voor een laatste vraag.’
‘Hoe oud bent u, meneer één?’ vroeg een derde, slaperig, panellid.
‘Vierennegentig.’
‘En u, meneer twéé?’
‘Vierennegentig, bijna.’ loog ik.
‘Meneer drié?’
‘Vierennegentig, juist geworden.’
‘Dan moet het panel nu uitmaken wie de echte Herman Doordeweek is!’
Het zal niet verbazen dat de besluitvorming unaniem was en ik werd aangewezen als de échte Herman Doordeweek.
De voorzitter, ietwat terug op kleur, vroeg, 'Wil nu de échte Herman Doordeweek opstaan?'
Maar ik weigerde, iets hield mij tegen mezelf bekend te maken.
Weer werd het zaaltje onrustig en verschoven de panelleden hun zitvlak. Tenslotte, echt tenslotte, waarschijnlijk om het publiek niet teleur te stellen, ontgespte mijn linkerbuur zijn borstband en stond op uit zijn rolstoel. Verbaasd, maar duidelijk opgelucht kon men huiswaarts gaan.
Ik heb mij vaak afgevraagd of en hoe deze gebeurtenis mij getekend heeft. Hoorde ik als gezond mens niet de rest van mijn leven als posttraumatisch te beleven? Natuurlijk, ik heb me altijd verzet tegen medelijdende blikken, tegen terloopse vragen over hoe het nu met me ging en óf het een beetje ging. Maar ik had het zelf in de hand, ik had een heel andere geschiedenis kunnen verzinnen - een heel ander leven kunnen leiden. Ik had, tenslotte, dit verhaal helemaal niet hoeven doen!