de vulpen

Na de gebruikelijke uitwisseling van leugens (zoals een naam) en vulling (komt u hier vaker?), voelde ik dat het moment gekomen was naar zijn beroepsmatige activiteiten te informeren. Plaats van handeling: een naaktstrand. Oók vulling, maar soms middag- of avondvullend, behalve wanneer je iemand treft die zijn werk als een sprinkhanenplaag ervaart.
‘Ik maak fietsen.’ zei hij, ‘al m’n leven lang.’
‘Een rijwielhersteller!’ - die was ik in mijn loopbaan nog niet tegengekomen.
‘Nee, nee!’ protesteerde de man - ik zal hem Arie noemen ‘Ik herstel ze niet, ik máák ze - glimmend - en dat ‘al m’n leven lang’ voeg ik pas de laatste tijd toe, met het klimmen der jaren.’
Niet dat het me echt interesseerde, maar ik vroeg toch ‘U voert een bedrijfje?’
‘Deed ik, deed ik, maar ik ben eruit gestapt, ik ontwèrp nog slechts fietsen, ook een vorm van maken, niet? - ik wil m’n verhaal ook niet steeds hoeven veranderen, al vanaf mijn vijftiende ben ik eraan gewend te zeggen dat ik fietsen maak.’
‘Ik begin het te begrijpen.’
Een verbaasde Arie ‘Wat?’
‘Het is alleen een verháál dat u fietsen maakt, niet?’
‘Hoe weet u dat?’
‘Ik herken dat, ik ben therapeut en therapeuten zeggen ook altijd dat ze therapeut zijn en dat is ook allemaal maar verhaal.’
‘Zit dat zo? Ik heb me anders aardig weten te redden met mijn verhaal, als u dat zo wilt noemen, mensen vinden het interessant om te horen wat een fietsenmaker, máker bedoel ik, niet zo’n broddelaar met smeer aan z’n handen, doet.’
Arie raakte wat geagiteerd, dus ik zei ‘Ik geloof u wel.’
‘Weet u, die herstellers, ze voorkomen ook nog dat er voldoende nieuwe fietsen verkocht worden, dat heeft mij m’n zaakje gekost!’

Ik draaide me van mijn rug op mijn zij, mijn hoofd met een arm ondersteunend. ‘En weet u wat ik doe?’ vroeg ik.
‘U was therapeut, zei u.’
‘Ik heb erbij verteld dat dat slechts verhaal was, nee, ik doe in pennen, vulpennen wel te verstaan.’
‘Is daar handel in?’ vroeg hij verbaasd.
‘Er zit de klad in, het terrein van de vulpen is tot verschroeide aarde gemaakt door tikmachine en tekstverwerker, maar er blijven van die gelegenheden, dat men teruggrijpt, als het ware, èn er zijn fanaten die zweren bij de vulpen, ik vind dat ook onbegrijpelijk.’
‘U verzint maar wat!’
‘Niet helemaal, ik dééd in pennen, toen ik nog goed met m’n broer kon opschieten, hij deed in geschept papier, zo vulden we elkaar aan.’
‘Dat zal wel, ik houd het op therapeut wat u betreft.’
‘Mij best, maar dat is wel van latere datum, als het u interesseert wil ik daar wel iets over vertellen!’
‘Ach, voor lezen is het toch te warm.’
Als tussenstand richtte hij zich op, om daarna in buikligging, de handen onder zijn kin, weer tot rust te komen.’
Er kwam een donker diepvriesmeisje langs met slechts een voorschootje aan, waarvan ik een ijsje kocht en even later de jonge billen bewonderde, die in een slome schone cadans op weg gingen naar nieuwe klanten.
‘Ik zeg altijd, ik had geen pet, maar wel een pen en daarom ben ik therapeut geworden.’
Arie snurkte.
Heel vervelend, want ik wilde graag mijn verhaal doen.
Ik zal het voor de lezer dus maar opschrijven zoals ik het ongeveer gezegd zou kunnen hebben - het zou van weinig karakter getuigen wanneer ik mij door het in slaap sukkelen van een toevallige toehoorder van mijn à propos zou laten brengen.
Als kind had ik een heilig ontzag voor pet-dragende beroepen, waarbij de precieze functie die erbij hoorde mij om het even was, als ik al onderscheidingen kon maken. Iets van het gezag van een pet-dragende functionaris op mijzelf overgedragen te zien zou me in één klap belangrijk maken - maar ik bezat geen pet. Ook in de familie waren geen pet-dragers waar ik me mee kon identificeren, vast als oefening voor later, niets.
Van mijn vader kon ik wat beroepskeuze betreft (en niet alleen wat dat betreft) niets leren - de man was een uur of negen per dag weg, maar als men me verteld had dat hij die tijd viste of in de kroeg zat had ik dat direct geloofd. Als kind geloofde ik eigenlijk dat hij overdag gewoon verdween en die uren stiekem opspaarde om later lekker oud te worden
Het enige dat ik bezat was een pen, een ouderwetse vulpen in een vilten doosje, van binnen gewatteerd, geërfd van mijn grootvader vóór hij overleed (later bleek mij dat dat de enige manier van overerven was in ons gezin, want bij echt overlijden snaaiden graaierige familiedelen het kleine erfgoed weg).
Niets deed ik met die pen, want het aanschaffen van een blocnote zou het budget voor maaltijden al aantasten. De pen dus in het doosje, het doosje in een lade, tot ik het huis uit ging en het doosje een half leven met me meesleepte.
Ik vermoorde iedere mogelijkheid tot het ontwikkelen van een leesbaar handschrift, schreef met stompjes potlood, lekkende balpennen, geavanceerde fijnschrijvers, krijtjes en tenslotte met behulp van toetsenborden waarbij enige traditionele vinger-coördinatie zelfs ongewenst is - de pen was heilig en ongebruikt.
‘Luistert u nog?’ vroeg ik Arie, die voort snurkte.
Op mijn zestiende verdiende ik mijn eerste geld met de pen, ik verhuurde hem voor twee gulden vijftig per week, maar laat ik die fase van sjacheren voorbij laten gaan, zij duurde maar kort.
Arie hief zijn hoofd nu een beetje op en keek me van opzij aan.
‘Ik luister wel, hoor.’ meldde hij als geruststelling ‘maar ik geloof er allemaal geen donder van!’
‘Ik heb toch niets gezegd dat onmogelijk is.’ verdedigde ik me.
‘Nee, nee, dat niet, het maakt me ook niets uit, ga rustig door’.
Pas op mijn vijfendertigste ging ik de pen zelf gebruiken.
Maar er was een probleem met die pen, ze was uitgerust met een ouderwets zuigertje-systeem om inkt te putsen, zonder rubber onderdelen die verkruimelen of scheuren, maar bediend aan het topje van de pen, gevaarlijk, gevaarlijk! Voor iemand die veel nerveus is en zich met graagte verveelt dus dubbel oppassen om vlekkerige ongeregeldheden te voorkomen - maar vaak toch dat de pen, onbedoeld, inkt sprietste.
Het was bij toeval dat ik de geweldige mogelijkheden ontdekte die voor mij ontstonden. Dat was toen ik een keer in woede het bevlekte papier uit mijn blok scheurde en dubbelvouwde om te voorkomen dat alsnog andere delen van mijn omgeving werden bevuild. Het papier, onvoldoende gekneusd om dubbelgevouwen te blijven, ontvouwde zich en daar gebeurde het! - ik werd rechtstreeks naar mijn onderbewuste geleid (het schijnt trouwens dat ene Rorschach dit ook al ontdekt had).
Voortaan was het feest wanneer ik ongewild weer met inkt knoeide (wanneer ik het expres deed kwam er niets van terecht, had ik al ontdekt) - zó benieuwd was ik naar mijn onderbewuste!
Na een paar jaar van dit soort gelukkige ongelukjes kende ik dit terrein van verborgen krachten, bronnen en remmingen als mijn zolderkamer, archetypen waren als verkeersborden in de praktijk van het dagelijkse leven.
‘Luistert u nog?’ - toen besloot ik therapeut te worden! Het zou toch van kwade opzet getuigen wanneer ik mijn kennis niet zou overdragen? Hoe velen werden bekneld door onwetendheid, on-kennis van zichzelf? vermorzeld onder eigen wielen? en dat alles onnodig met een beetje therapie, een steuntje in de rug van het inzicht - ik plaatste een advertentie. Ik moet erbij zeggen dat dit besluit de enige welvarende periode in mijn leven inluidde, ik kocht nieuwe schoenen en al vast een sofa.
Na een week belde een dame aan, mijn eerste patiënte, die zó verschrikkelijk gek bleek te zijn, dat ik haar, nog onervaren als ik was, moest doorsturen naar een collega. Ze stortte zich voor mijn huis onder de eerste de beste auto. Een zwarte dag, een slecht begin.
Ik begon dorst te krijgen van mijn eigen gemompel of wat het ook was, zocht de eerste vrijkomende barkruk op in het belendende etablissement, bestelde een bovenmaatse pul bier, tuurde naar mijn verlaten handdoek waarvan een puntje opwaaide aan Arie’s kant.
Het liep daarna storm, ik kreeg er een dagtaak aan, met alleen maar vrouwen overigens. Mannen, bedacht ik later, zijn niet sterk geïnteresseerd in hun onderbewuste, omdat juist het niet precies weten wat ze doen en waarom ze het doen tot grote voordelen leidt, terwijl vrouwen daar onder lijden.
Mannen houden eigenlijk al niet van hun bewustzijn, sluiten gaarne hun ogen voor zaken die evident en makkelijk waarneembaar zijn en wat ze hadden kunnen weten, hun geweten, sussen ze vooral - geen man bezocht ooit mijn bloeiende praktijk.
‘Zal ik doorgaan?’, ik moet het mezelf halfzacht afgevraagd hebben, want een vrouw naast mij vroeg, alsof ze had zitten wachten op iets hoorbaars, ‘Wat zegt u?’
‘Oh, niets, ik schrijf maar wat.’
‘Schrijven? Ik zie u al lange tijd de mond bewegen, daarstraks buiten heb ik u zitten bekijken en toen u het café inliep, vergeef mijn nieuwsgierigheid, volgde ik u, u ging onverstoorbaar door, eh, u weet zeker dat u zich wel goed voelt?’
‘Uitstekend, maar misschien dat de warmte me parten speelt, wilt u iets drinken?’
“Een dubbele vermout met ijs, zou dat in het budget passen?’
Ik bestelde, bekeek haar van opzij en voelde dat het me moeite zou kosten haar te beschrijven, een Amerikaans-achtige veertigster, die met ruime hand haar gezicht had voltooid, wat rollerig op het lijf, maar met ogen, geloof het of niet, waar intelligentie uitstraalde, ogen met een breed perspectief.
‘Waar schrijft u over?’ vroeg ze.
‘Over mijn werk, ik ben therapeut.’
‘Therapeut? Ik háát therapeuten!’
‘Ik kan u geen ongelijk geven, ik ben er ook mee gestopt.’
‘Oh, dan is het wat anders, schrijft u rustig verder.’ Ze nam een eerste nipje – ‘Maar misschien kan het iets luider? ik ben nieuwsgierig.’
Ik pakte de pen weer op, maar waar was ik gebleven?
Zulke onderbrekingen zijn fnuikend voor de concentratie, ik moest teruglezen, maar kon nauwelijks ontcijferen wat ik had geschreven.
Oh ja, werkelijk overal vandaan kwamen cliëntes naar mijn praktijk, ik stond dan ook zeer goed bekend. De vlekkentest had ik uitgebreid met een groot assortiment andere hulpmiddelen die de diep verborgen angsten en neigingen van mijn klanten naar boven haalden. Ik liet ze stippen of rondjes zetten op een maagdelijk vel geschept papier (uit het restant van mijn broers handel), tekeningen maken, dromen vertellen, liet ze vrijelijk associëren op wat ik en zijzelf zeiden, hypnotiseerde ze, drogeerde ze met LSD, maar het meeste succes had het omgekeerd ophangen. Ik had een aannemer daartoe een constructie laten vervaardigen. Juist boven de sofa was een hijsinstallatie aangebracht, waarmee ik de dames aan hun enkels kon optrekken.
‘Interessant! zei de vrouw naast me ‘’Maar het lijkt me nogal riskant.’
‘Is het ook, je moet zoiets met beleid en zorg doen.’
Het principe is eenvoudig, het hoofd krijgt normaal te veel bloed en de voeten te weinig, het hart moet er als het ware aan wennen, door de andere stand van het lichaam, de voeten voor het hoofd en het hoofd voor de voeten aan te zien, dat duurt even. In het begin kregen mijn cliëntes het benauwd en een rood hoofd, schreeuwden ze om verlost te worden, maar na enige oefening haalden ze rustig adem, voelden zich high èn hadden warme voeten - een verschijnsel dat de meesten van hen niet kenden.
‘Waarom bent u met die praktijk gestopt?’
‘Ik zal u dat vertellen, of beter ik zal het opschrijven, dan kunnen de lezers het ook volgen.’
Ik moest mijn praktijk sluiten vanwege het overmatige succes. Ik werd gebeld door echtgenoten die hun vrouw niet meer herkenden en mij daar de schuld van gaven, ik werd zelfs van medeplichtigheid beticht bij een moord.
Eén van mijn cliëntes, jarenlang verkracht door haar man en uitgeleend aan zijn vrienden voor hetzelfde doel, had het heft van haar leven in eigen hand genomen en aan dat heft bleek een lemmet te zitten – ja, soms krijgt het gevoel van bevrijding dramatische vormen of beter heroïsche.
‘En?’
‘En?, nou vooruit dan maar!’
Mijn expertise en prestige deden de rechtbank afzien van een veroordeling. Een jaar later ben ik met haar samen gaan wonen. Maar ik werd gek van de dreigementen en degenen die niet dreigden hielden hun vrouw verre van mijn goedlopende negotie, het doek viel definitief toen ik werd verdacht van misbruik van een cliënte, die nota bene geen cliënte van me was, maar die ik eens in de tram trof en die ik mijn kaartje had gegeven.
‘Wat verschrikkelijk!’
‘Ik heb toen geleerd dat het er niets toe doet wát je vertelt, als het maar geloofwaardig overkomt en zíj bleek geloofwaardiger.’
‘Je hebt moeten brommen?’
Ik werd uit mijn professie gestoten, of erger, men ontdekte dat ik mij op niets kon beroepen dat mij het recht gaf therapeut te zijn. Ik verdedigde me, ik had immers nooit gezegd dat ik therapeut wás, maar altijd volgehouden in vulpennen te doen, samen met mijn broer, die in geschept papier deed.
Dat de waarheid irrelevant is, maar dat het erom gaat geloofd te worden, wat ik natuurlijk al langer wist, gaf mij na dit debacle een geheel nieuwe impuls.
Ik bestudeerde dit schandalige fenomeen van binnen en van buiten en ging ten lange leste over tot praktijkoefeningen, ik schaam me daar nog diep over.
‘Zo erg zal het toch niet zijn?’
Iets verzinnen is een misdaad; Ook wanneer achteraf blijkt dat het sléchts een verzinsel is, heeft het zijn kwalijke sporen reeds achtergelaten, neem het roepen van brand! zonder brand, het roept paniek op en er vallen gewonden in het gedrang of vertel in vertrouwen een man of vrouw dat zijn/haar partner vreemd gaat (doe dat kleurrijk!) en een huwelijkscrisis breekt baan.
Ik bestelde nog een pul schuim en voor mijn aandachtige toehoorster een slootje vermout. Arie had zich ondertussen omgedraaid, gelukkig maar, want de zon is verraderlijk.
Mijn studies maakten me duidelijk dat veel politieke beslissingen berusten op dit soort verzinsels, vooral Amerikanen staan daar bekend om, ze voeren politiek op hun eigen misinformatie (ten koste van anderen vanzelfsprekend), maar ook in dit natte landje kan men er wat van.
‘Hier? in Nederland?’
Wanneer informatie maar prestigieus is, van hoogwaardigheidsbekleders komt of van een duur onderzoeksbureau, dan vraagt - voorlopig - niemand naar het realiteitsgehalte ervan en tegen de tijd dat bekend wordt dat het onjuiste informatie was is het beleid er al op geënt, de trend in de discussie al gezet, de...., ach, ik verveel u!
‘Een beetje maar! Niemand gelooft zoiets toch?’
Dat is het voordeel van de bedrieger, natuurlijk, hij of zij moet overtuigen, maar het voornaamste is dat niemand er vanuit gaat dat bedrog in het spel is wanneer iets gezegd wordt - of geschreven.
‘Ja, ja, dat is wel zo.’
En zo kwam ik bij mijn uiteindelijke professie terecht, ik kon het bedriegen niet laten, maar vond het ook te gevaarlijk worden, mijn geweten verzette zich tegen het immorele ervan.
‘Wat bent u gaan doen?’ onderbrak ze me.
De vulpen kwam me, nu eens op de wijze waarvoor hij bedoeld is, te hulp, ik ging schrijven, vermeed het gevaarlijke topje van de pen - schrijven is het enige vak waar bedriegen en fantaseren mág, waarin dat zelfs hóórt. Daarom begrijp ik schrijvers niet die waar gebeurde verhalen willen schrijven, die verkwanselen toch de mogelijkheden die het schrijverschap biedt?
‘Ik ben actrice.’ zei de vrouw ineens, ‘Gelooft u dat?’
‘Natuurlijk!’ antwoordde ik vol overtuiging, ‘Zonder gedegen beroepsopleiding speelt niemand zo goed en zo lang een toegewijde toehoorder, zeker niet bij mijn geleuter.’
‘Mis, Gerard, helemaal mis!’
‘Gerard?, hoe weet u mijn naam?’
‘Je bent gewoon een typische Gerard, maar ik herkende je ook direct.’
‘Waarvan?’
“Ik was het eerste meisje dat jou pijpte, dat zei je tenminste.’
‘Dat kan wel, dat zei ik tegen alle meisjes, tot een bepaalde leeftijd dan, daarná is dat niet meer geloofwaardig.’
Ze keek me, na zoveel jaar, teleurgesteld aan en zei ‘Judith Huizen, je moet me je toch herinneren?’
‘Judith?, Judith?, ach, je had altijd een minirok aan met van die benen eronderuit, ik herkende je echt niet zonder kleren.’
‘Natuurlijk had ik benen!’
‘Nee, ik bedoel van die fantastische benen!’
Ze glimlachte langs haar plamuur heen, stond van de barkruk op en draaide een rondje – ‘Ze mogen er nog best zijn, niet?’
Geen oog had ik echter voor haar onderdanen, geheel geabsorbeerd als ik was door haar zwaarmoedige borsten die de sporen droegen van beknelling en kinderopvang en die nu zwiepten - dit kón Judith niet zijn!
Weer gezeten vroeg ze ‘Jij studeerde toch iets? Sociologie of zo?’
‘Wat had ik anders moeten verzinnen? Jij zou je nooit versierd laten hebben zonder mijn status van student.’
‘Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben, ik had het hoog in m’n bol.’ Ze krabde zich het schaamhaar en vervolgde ‘Ik ben pas later bij het toneel gegaan, en tegenwoordig bij de film, ik speel van die Judith Bunker achtige rollen, daar ben ik heel goed in.’
‘En ik, ik doe in vulpennen, al mijn leven lang en dat is mij genoeg! Kijk!, dat is nu echt toevallig’ - ik pakte een pen die op de bar rondzwierf – ‘zulke pennen!’
Ik gaf haar de pen in de hand, vermeed het verkooppraatje, en hoe het gebeurde weet ik niet, de pen sprietste inkt over haar, toegegeven, appetijtelijke, dijen. ‘Ik wist niet dat dat kon met deze pennen.’ zei ik ‘Ik moet mij verontschuldigen, sorry!’
Daarmee trok ik mij terug in de koelte van mijn studeervertrek. En ook Arie had z’n badhanddoek verlaten.