De leugendetector

Ik heb een fantastische uitvinding gedaan, maar hoe ik ook leur, niemand schijnt er enige belangstelling voor te hebben. Toch is het een uitvinding van groot maatschappelijk belang – het gaat namelijk om een leugendetector. De mensen die ik er over vertel, halen hun schouders op. ‘Charlatan’ voegen ze me toe, ‘Zo’n ding bestaat toch al. Niet iedereen die een wiel maakt is de uitvinder ervan!’ Toch beginnen daarna pas de problemen. Ik ben er aan gewend niet serieus genomen te worden, maar wanneer ik uitleg geef over de werking van mijn detector, lijkt de sfeer in het gesprek wel geheel om te slaan. Ik zie een zekere angst in de ogen van mijn gesprekpartners ontstaan, ze beginnen bedachtzamer te praten (langzamer, soms licht stotterend) of ze slaan ineens volledig dicht – alsof ik zelf de leugendetector ben. Vreemd, want ik loop niet met mijn waar te koop, ik heb geen detector bij me, ik vertel er slechts over.

Toch zijn dit soort reacties de beste aanwijzing dat ik iets nieuws heb uitgevonden. Ik blijf het ding ook alleen ‘leugendetector’ noemen, omdat iedereen er zich dan meteen iets bij kan voorstellen. De gangbare leugendetector interpreteert lichamelijke reacties als aanwijzing voor leugenachtigheid: zweetsecretie, hartslag, en dergelijke.  Probleem hiermee is dat mensen deze reacties onder controle kunnen leren krijgen. En een nog groter probleem – reden waarom ik een nieuwe generatie detectors wilde ontwikkelen – vormt het feit dat wanneer mensen hun leugens als waarheid zien, er van lichamelijke reacties helemaal geen sprake meer is. De leugen is zo’n vast onderdeel van hen- zelf  geworden dat ze hem vaak zelf niet meer herkennen. De traditionele leugendetector werkt eigenlijk alleen wanneer de leugenaar zelf weet dat hij liegt – z’n lichaam verraadt hem slechts. Lichamelijke reacties treden echter helemaal niet op wanneer de leugenaar z’n leugens niet als zodanig onderkent. De meeste leugens liggen ergens tussen bewust en onbewust in. De leugenaar denkt dat hij de waarheid zegt, maar er wringt tegelijk iets. Hier werkt de traditionele detector soms, soms ook niet.

Probleem met de gangbare detector is ook dat – en dit is een maatschappelijk probleem – hij slechts wordt gebruikt bij bepaalde groepen leugenaars, meest bij de gangbare misdadigers. De gangbare detector hoort als het ware bij de gangbare categorie te onderzoeken leugenaars. Anderen lenen zich er niet voor en niemand komt zelfs op het idee dat een detector – ook zo’n ouderwetse – soms zeer op z’n plaats zou zijn; hoeveel mensen liegen niet en worden daar niet op betrapt. Politici zijn natuurlijk de leugenaars bij uitstek, die hun leugens rustig kunnen verkondigen, zonder betrapt te worden – of betrapt worden na vele jaren, wanneer de leugens er al bijna niets meer toe doen. Er zijn dan onderzoekscommissies nodig om de waarheid achteraf te achterhalen. Ware het niet eenvoudiger wanneer de leugens direct gedetecteerd konden worden. Maar zo zit de wereld niet in elkaar. Behalve voor bepaalde categorieën leugenaars, wordt de leugendetector niet gebruikt: noem het klassenjustitie. Dat was echter wel de belangrijkste oorzaak van het mislukken van de gangbare leugendetector – hij werd, ook door de omslachtigheid van zijn werking, eenvoudig niet ingezet wanneer toch overduidelijk het betrappen op leugens een goede zaak zou zijn geweest.

Mijn detector werkt geheel anders en voorkomt vrijwel alle problemen met de gangbare. We leven in het informatietijdperk en daar berust zijn werking op: informatie. Maar wanneer eenmaal met informatie gevoed, is het ding niet meer te stoppen. Ik denk dat daar m’n gesprekspartners in de problemen kwamen: ze zagen de bui al hangen. Een detector die de leugen betrapt, signaleert, ja, die vreselijk gaat piepen is al vervelend, maar een die de leugen herkent door er de waarheid tegenover te stellen, is ondragelijk. En toch is dat de toekomst! Er is zoveel informatie, dat die, wanneer juist ingebracht in de leugencomputer – want dat is mijn detector eigenlijk – iedere leugen kàn onderkennen. Op een beperkt terrein, ten aanzien van een bepaalde zaak of persoon kan die computer al zeer klein zijn, niet groter dan een lucifersdoosje, voor meer complexe zaken is nog steeds een grote en snelle computer nodig. Maar de geschiedenis van de afgelopen 20 jaar laat zien hoe snel de ontwikkelingen op dit front gaan. Over tien jaar, dunkt me, zal mijn leugencomputer operationeel kunnen worden – mits, dit blijft een voorwaarde, met de juiste informatie (tegeninformatie in feite) gevoed. Dit laatste is een absolute voorwaarde voor haar functioneren, immers alleen de waarheid kan de leugen achterhalen.

De weerstand tegen mijn uitvinding is dan ook wel begrijpelijk. Niemand wil op leugens betrapt worden. Liegen is okay, maar in het verborgene van de eigen geest. De kunst van de leugenaar is immers juist zijn vermogen om zijn leugen als waarheid voor het voetlicht te brengen, zijn vermogen tot verhulling. Mijn detector zou hieraan een abrupt einde maken, want nogmaals – iedereen wil liegen, maar niemand wil daarop betrapt kunnen worden.